

About
The Full Story
Geachte heer/mevrouw,
Wij sturen u hierbij een tweede bericht. Wij constateren dat wij in ons eerdere bericht mogelijk nog niet volledig duidelijk of compleet zijn geweest.
Dit bericht dient daarom als aanvulling op onze e-mail van 6 november jl., met nadere toelichting en aanvullingen over de gehanteerde prijssystematiek en de te beoordelen opties.
Toelichting op de marktstructuur
De markt kent twee duidelijk te onderscheiden segmenten: vervoersbedrijven en aanbieders van vervoersbewijzen. Dit zijn twee afzonderlijke markten[1].
Vervoersbedrijven die opereren onder de Wet Personenvervoer 2000 (WP2000) bieden naast hun vervoersdiensten ook zelf vervoersbewijzen aan binnen hun eigen (zakelijk) service aanbod in opdrachten zoals u nu uitvraagt. Daarnaast zijn er partijen — zoals wij — die geen vervoerder zijn, maar wel vervoersbewijzen van vervoerders aanbieden als aanbod naar (zakelijke) klanten.
Dit doen wij op basis van zogenaamde wholesale- of resellercontracten die vervoersbedrijven verplicht [2] zijn aan te bieden, conform de MaaS-bepalingen[3] in de concessievoorwaarden zoals die in elke Nederlandse OV concessie is opgenomen. Deze reseller-tarieven zijn publiek beschikbaar en vormen de inkoop kostenbasis voor (virtuele) aanbieders zoals Reisbalans.
Nadere verduidelijking bij de beoordelingsopties
Ter aanvulling op onze eerdere bericht willen wij het volgende verduidelijken/ aanvullen:
a) Van de drie opties (a, b en c) die we eerder hebben genoemd, gaat het bij optie 2 – of- optie 3. Deze twee kunnen niet tegelijk worden gebruikt. Een combinatie zou betekenen dat opdrachtnemers korting moeten geven op hun eigen inkoopprijzen. Dat is niet haalbaar binnen een kostendekkend model.
b) Optie 2 gaat over de resell-prijzen van het openbaar vervoer die voor ons gelden — dit zijn dus onze inkooptarieven. Deze prijzen zijn voor iedereen in de markt gelijk en worden zoals aangegeven vastgesteld door de overheid die de concessie verleent. De tarieven komen voort uit de MaaS-regels of worden per concessie apart vastgesteld. In alle gevallen zijn de resell-tarieven openbaar en inzichtelijk voor u.
c) Wij adviseren u — als u kiest voor optie 2 — om de resell-tarieven gedurende de hele contractperiode als bovengrens te hanteren. Soms voegen inschrijvers (na de inschrijving) nieuwe abonnementen toe. Abonnementen leiden meestal[4] tot hogere kosten en minder transparantie in de onderliggende kostenstructuur.
Wij raden daarom aan om de resell-tarieven als maximale tarieven te eisen en abonnementen alleen toe te staan als de totale kosten (abonnement + reizen) uiteindelijk lager zijn dan wanneer dezelfde reizen zouden worden afgerekend op basis van het resell-tarief zoals bedoeld bij punt b). Zo voorkomt u dat er schijnbaar goedkopere opties ontstaan die later juist duurder blijken te zijn.
d) Als u kiest voor optie 2 (resellprijs/inkoop OV), ontstaat er een bijzondere situatie voor vervoerders die ook zelf inschrijven. Zij kunnen immers niet bij zichzelf inkopen. Voor deze partijen zou daarom de eis moeten gelden dat hun prijs naar u gelijk is aan het resell-tarief dat zij hanteren richting derden (zoals wij). Dit zorgt voor gelijke behandeling van alle inschrijvers en voorkomt oneerlijke concurrentievoordelen voor vervoerders die zowel inschrijver als vervoersaanbieder zijn.
e) Wanneer u kiest voor optie 2, kiest u voor de meest kostenefficiënte manier van inkopen, omdat de tarieven van de concessieverleners één-op-één worden overgenomen.
Daarmee wordt echter ook de marge voor aanbieders sterk beperkt, terwijl zij wel kosten maken voor ondersteuning, administratie en serviceverlening.
Vanuit proportionaliteit is het daarom wenselijk om een redelijke ondergrens voor vergoeding te hanteren, zodat de verhouding tussen kosten en opbrengsten evenwichtig blijft. Dit kan op twee manieren worden ingevuld:
-
Minimale servicevergoeding:
Stel een vaste vergoeding vast, bijvoorbeeld €2 per gebruiker per maand, vergelijkbaar met de werkwijze van bijvoorbeeld de Rijksoverheid. Deze vergoeding dekt de basisdienstverlening en voorkomt dat aanbieders verlies lijden op structurele kosten. -
Kostencompensatie vanuit vervoerders:
Sta toe dat aanbieders de compensatie mogen behouden die zij ontvangen van vervoerders voor hun operationele kosten. Dit is geen onderdeel van het tarief, maar een evenwichtige vergoeding voor de diensten die zij leveren binnen de keten.
Omdat niet alle vervoerders dergelijke compensaties verstrekken, adviseren wij om in elk geval een minimale vergoeding vast te leggen, bijvoorbeeld €2 per gebruiker per maand. Dit bedrag achten wij proportioneel in verhouding tot de besparing die u realiseert door toepassing van de door ons aangedragen model voor inkooptarieven uit optie 2, en voorkomt tegelijkertijd dat de uitvoering economisch onhoudbaar wordt voor aanbieders.
Wij hopen dat bovenstaande toelichting bijdraagt aan een heldere interpretatie van de prijssystematiek en de beoordelingsopties. Uiteraard lichten wij dit graag nader toe in een persoonlijk gesprek.
[1] Zie ook rapport ACM: Advies regulering OV-betaalmarkt
[2] Zie bijvoorbeeld: NS Resell Pakket | Partners in mobiliteit | Zakelijk | NS en meer-gvb-wederverkoop-vervoersbewijzen | GVB
[3] MaaS-waardige bestekseisen – CROW Smart Mobility
[4] Zie ook: Onderzoek gelijk speelveld voor bedrijvenkaartaanbieders | ACM en Onderzoek Impuls Economen Toets Referentieaanbod NS (blz 30)